Hoe kunnen we meertalig worden?

1. Kan iedereen gemakkelijk talen leren?

Er zijn verschillende manieren waarop iemand meertalig kan worden. Veel mensen leren twee of meer talen door er reeds op jonge leeftijd mee in aanraking te komen. Dat kan gebeuren in de thuiscontext, bijvoorbeeld omdat de vader en de moeder elk afzonderlijk met hun kind een verschillende taal spreken en soms een derde taal met elkaar. Dat kan ook gebeuren omdat de thuistaal verschillend is van de taal die op school, met vrienden of met buren gesproken wordt. Vele anderen worden in een latere levensfase meertalig, bijvoorbeeld als gevolg van migratie of met de hulp van televisie of het internet, of in een formeel onderwijssysteem, hetzij via vreemdetalenonderwijs, hetzij via immersie- of submersieonderwijs (zie hieronder: Wat is de beste methode om een taal te onderwijzen?).
Sommigen leren een taal sneller dan anderen, maar er zijn geen onoverkomelijke hindernissen voor het aanleren van een tweede taal. In veel landen is tweetaligheid eerder regel dan uitzondering, los van verschillen in intelligentie of taalaanleg. De belangrijkste factor in taalverwerving is de relevantie voor het dagelijks leven van de lerende. Een taal die gebruikt wordt in iemands omgeving biedt veel mogelijkheden voor het oefenen van de taal in een levensechte situatie. Het doel mag echter niet overambitieus zijn, vooral niet in het geval van volwassenen met weinig tijd om de praktijk aan te vullen met systematisch studiewerk. Het kan niet de bedoeling zijn om een tweede of derde taal volledig te beheersen. Zelfs eentaligen hebben vaak een allesbehalve “perfecte” kennis van hun moedertaal. De vaardigheid om een alledaags gesprek te kunnen voeren met moedertaalsprekers van een andere taalgemeenschap is doorgaans voldoende ambitieus – en loont zeker de moeite.

2. Bestaat er een minimum- en maximumleeftijd voor het leren van een nieuwe taal?

Neen. Zowel kinderen als volwassenen kunnen een tweede taal leren, maar er bestaan verschillen in de manier waarop nieuwe talen worden geleerd. In het geval van jonge kinderen zal de taal verworven worden via een spontaan leerproces in familiale kring, in de gemeenschap of op school. Een voordeel van het aanleren van een taal op jonge leeftijd is het feit dat kinderen de uitspraak van een tweede taal makkelijker zullen beheersen dan volwassenen. Bovendien blijven ze gespaard van een bewuste leerinspanning, al moeten ze nog steeds de verschillende taalcodes en schriftsystemen die hen omringen onderscheiden en ontcijferen. Deze twee- of veelvoudige leeropdracht kost meer tijd en moeite dan het ontcijferen van slechts één code en kan ervoor zorgen dat er tijdelijk een vertraging optreedt in het aanleren van één of mogelijkerwijs elk van de talen, en dit vergeleken met eentalige kinderen. Op lange termijn ontwikkelen ze echter grotere cognitieve vaardigheden. Wanneer de voorwaarden goed zijn, vooral wanneer ze voldoende in aanraking komen met al hun talen, zullen meertalige kinderen dikwijls hun eentalige leeftijdsgenoten inhalen tegen het einde van de lagere school of zelfs vroeger. Als de verschillende talen onvoldoende aanwezig zijn in de natuurlijke omgeving van de kinderen, zullen ouders, kinderverzorgers en leerkrachten die hen meertalig willen maken, inspanningen moeten leveren om een aangepaste taalkundige strategie te plannen en uit te voeren. Die strategie moet ervoor zorgen dat de kinderen voldoende in contact komen met elk van de talen die worden aangeleerd. (Zie Wat moeten we doen om onze kinderen meertalig te maken?)
In het geval van tieners of volwassenen gebeurt het aanleren van een taal doorgaans op een formelere manier, wat dan ook meer bewuste inspanningen vereist. Volwassenen die de taal leren zijn in staat om de nieuwe taal bewust te analyseren en een beroep te doen op verschillende leerstrategieën om het taalkundige leerproces te versnellen. Als er voldoende motivatie is om te leren en voldoende contact met de taal die geleerd wordt, zullen volwassenen een taal sneller leren dan jonge kinderen, hoewel ze over het algemeen voorgoed een “vreemd accent” behouden. Volwassenen die meertalig willen worden, zullen de tijd en middelen moeten vinden om taalklassen te volgen en om de taal te oefenen met (bij voorkeur) moedertaalsprekers. Dit zou minder moeilijk moeten zijn in Brussel dan op andere plaatsen, op voorwaarde dat mensen zich niet opsluiten binnen de grenzen van hun eigen taalgemeenschap.

3. Wat is de beste methode om een nieuwe taal te leren?

Er bestaan verschillende methodes om een taal te leren en elke methode heeft haar voor- en nadelen. Het belangrijkste is dat de methode die gekozen wordt overeenstemt met de situatie, het karakter en de bedoeling van de leerder. Informeel leren door te communiceren met moedertaalsprekers, als men bijvoorbeeld in het buitenland leeft, kan tot uitstekende communicatieve vaardigheden leiden, terwijl formeel onderwijs in de klas kan resulteren in een correctere grammaticale taalbeheersing en een preciezere woordenschat. Wat het beste is voor een volwassene is niet noodzakelijk het beste voor een kind, net zoals datgene wat het beste is voor een heel sociale persoonlijkheid niet noodzakelijk het beste is voor iemand die wat verlegener is. En als je een taal voor louter professionele doeleinden wilt leren, is het zinvol om te focussen op het jargon van je beroep, terwijl iemand die een taal op vakantie wil gebruiken, nood zal hebben aan een algemene woordenschat voor dagelijks gebruik. Wat echter ook de methode is die aanvankelijk wordt gebruikt, het leren van een andere taal is, net als moedertaalverwerving, een proces dat nooit volledig afgerond zal zijn, en de beste manier om te blijven leren – en inderdaad te onderhouden wat men heeft geleerd – is de taal te blijven oefenen, zowel passief receptief als productief. Onze belangrijkste taalleraren zijn mensen die geduldig genoeg zijn om naar ons te luisteren en met ons te praten in een taal die we niet zo goed kennen, maar die we toch durven te gebruiken. Formeel onderwijs heeft hoe dan ook zijn plaats in dit proces en niet alle methodes zijn even effectief. [Zie hieronder: Wat is de beste manier om een taal te onderwijzen?]

4. Wat is de beste manier om een taal te onderwijzen?

Traditionele klasmethodes, die tot op zekere hoogte nog steeds gebruikt worden, focussen op het leren van grammaticaregels en woordenschatlijstjes. Zij kopiëren grotendeels de methodes die men gebruikt om dode talen zoals Latijn en Grieks te onderwijzen en hanteren slechts in beperkte mate een communicatieve aanpak. Zij kunnen oudere leerders een goede basiskennis van de taal geven, maar kunnen zelden succesvol zijn als er geen luister- of spreekoefeningen buiten de klas mee gepaard gaan. Vandaag de dag gaat men er over het algemeen van uit dat minder formele methodes efficiënter zijn, in het bijzonder voor jonge leerlingen.
Immersieonderwijs heeft betrekking op het onderwijzen van vakken die buiten het taalonderwijs vallen (zoals wiskunde of geschiedenis) en dit in een andere taal dan de moedertaal van de leerlingen. De andere vakken worden wel nog in de moedertaal onderwezen. Een zorgvuldig uitgewerkte versie van het immersieonderwijs is Content and Language Integrated Learning (CLIL), of Enseignement d’une matière par intégration d’une langue étrangère (EMILE). Het wordt systematisch toegepast in een aantal Belgische scholen, waarvan de meeste in Wallonië gelegen zijn, en op het niveau van het middelbaar onderwijs in het netwerk van de Europese scholen, waaronder de vijf Europese scholen in Brussel. Deze leermethode, waarbij men een vak volgt in een andere taal dan de moedertaal, beperkt zich uiteraard niet tot het lager en middelbaar onderwijs. In het hoger onderwijs en het volwassenenonderwijs is het een zeer gebruikelijke methode. De meeste Belgische universiteiten bijvoorbeeld bieden nu vakken in het Engels aan die toegankelijk zijn voor zowel buitenlandse als Belgische studenten.
Al heerst er nu een brede consensus over de meerwaarde van immersieonderwijs ten opzichte van traditionele methodes, toch bestaan er nog twijfels over de vraag of immersie in alle contexten wenselijk is. Hoe goed het werkt zal bijvoorbeeld afhangen van hoeveel kinderen de tweede taal van de school als hun thuistaal hebben en daarom ook geneigd zijn om ze onder elkaar te spreken (wat wel eens het geval zou kunnen zijn voor veel Nederlandstalige scholen in Brussel en in de rand rond Brussel als ze immersieonderwijs in het Frans zouden inrichten). Het zal ook afhangen van hoeveel kinderen geen enkele van de schooltalen als hun thuistaal hebben: voor hen zou immersie neerkomen op een dubbele submersie (zie Is het een goed idee om kinderen naar een school te sturen waar de voertaal een andere taal is dan de thuistaal?).

5. Kunnen de media onze taalvaardigheid verbeteren?

Televisieprogramma’s en films in een andere taal zijn ongetwijfeld goede hulpmiddelen om de taalvaardigheid van iemand te verbeteren, voornamelijk wanneer hij of zij in het dagelijks leven weinig met die andere taal in contact komt. Vooral voor kinderen kan de combinatie van gesproken woorden met beelden de interesse verhogen voor wat er gezegd wordt. Voor kijkers die kunnen lezen, kunnen ondertitels in hun beste taal of in de taal van de zender het aanleren van taalstructuren en van de woordenschat vergemakkelijken. Jammer genoeg hebben tv-zenders in het Frans en in andere wijdverspreide talen de gewoonte om programma’s en films te dubben in plaats van te ondertitelen. Elke beweging in de richting van meer ondertiteling op de Franstalige zenders in België is welkom en daaronder vallen bijvoorbeeld interviews in het Engels of het Nederlands. Maar het bekijken van films en andere programma’s draagt uiteraard vooral bij aan de receptieve competenties van mensen en kan niet als vervanger voor een productieve praktijkoefening worden opgevat. De laatste decennia is het internet geleidelijk aan een makkelijk toegankelijk middel geworden voor het leren kennen en oefenen van andere talen dan de moedertaal. De mogelijkheid om met mensen van overal ter wereld te communiceren, heeft de kansen verveelvoudigd om niet alleen andere talen te lezen, maar ook te spreken en te schrijven. Vooral als lid van sociale netwerken en online fora wordt de internetgebruiker verondersteld actief deel te nemen aan online gesprekken. Als men deze nooit eerder geziene kansen daadwerkelijk wil benutten om in andere talen dan de moedertaal te communiceren in plaats van de weg van de minste weerstand te kiezen, creëert het internet een fantastisch hulpmiddel om talen te leren.

6. Waar kan ik taalcursussen in Brussel vinden?

Er bestaan in Brussel verschillende mogelijkheden om talen te leren, variërend van groepslessen tot individuele begeleiding, van dagelijkse tot wekelijkse cursussen. We hebben een lijst van initiatieven samengesteld die je zouden moeten helpen om de formules te vinden die het best bij je noden passen. Surf naar deze pagina voor de lijst! Updates en suggesties voor toevoegingen zijn welkom op info@marnixplan.org.

7. Waar in Brussel kan ik terecht om de talen te oefenen die ik wil leren?

Als je enige kennis van een taal hebt, zullen gespreksgroepen zoals bijvoorbeeld conversatietafels je helpen om de taal te oefenen en daarbij je taalvaardigheid te verbeteren. Andere initiatieven brengen je in contact met moedertaalsprekers van verschillende talen, zodat je ze kunt oefenen in een natuurlijke omgeving. Je vindt een lijst van gespreksgroepen en gelijkaardige initiatieven op deze pagina. Updates en suggesties voor toevoegingen zijn welkom op info@marnixplan.org.

NOTA
De antwoorden op de vragen onder de vijf kopjes op onze hoofdpagina geven de overtuigingen weer waarop het Marnixplan gebaseerd is. Een aantal hiervan zijn algemeen aanvaard, andere zijn eerder controversieel. Onderbouwde kritiek is zeker welkom (op info@marnixplan.com) en kan ons helpen om tot nieuwe inzichten te komen. Het succes van het Marnixplan is verankerd in een heldere analyse van de wereld zoals ze is en in de hoop die deze wereld creëert, maar ook in de obstakels die deze wereld op ons pad brengt.

We willen onze bijzondere dank betuigen aan Hugo Baetens Beardsmore, Nicole Bya, Grégor Chapelle, Bastien De Clercq, Rudolf De Smet, Aafke Buyl, Manon Buysse, Dany Etienne, Katja Lochtman, Rudi Janssens, Kari Kivinen, Johan Leman, Silvia Lucchini, Jessica Mathy, Françoise Pissart, Hannelore Simoens en Marianne van de Graaff voor hun nuttige bijdragen en feedback, aan Jolien De Paepe en Diederik Vandendriessche voor de Nederlandse vertaling van het Engelstalige origineel, en aan Sophie Dehareng en Amélie Lelangue voor de Franse vertaling.

De eindverantwoordelijkheid voor de formulering van deze vragen en antwoorden ligt evenwel volledig bij ons.

Alex Housen, Anna Sole-Mena, Philippe Van Parijs,
coördinatoren van het Marnixplan.